Tramuntana

Ik lig wakker en luister naar hoe de wind ons huis probeert af te breken. Dit is al de vierde nacht waarin het aanhoudende suizen en fluiten wordt afgewisseld met agressieve beuken tegen de muren. Bij het raam klappert iets. Ik vraag me af of de shutters wel goed dichtzitten, maar ik ben te slaperig om het te controleren. Ergens in het gebouw klinkt gebonk, alsof een ijzeren poort steeds wordt dichtgegooid. Ik moet denken aan die scène in Home Alone, waarin Kevin de cv-ketel aanziet voor een metalen monster met een happende vuurbek. De wind heeft ons huis in zo’n monster veranderd. Eentje dat kermt, piept en rammelt. Ik hoop maar dat alle onderdelen blijven zitten.

De wind die deze week het dorp teistert, is de Tramuntana, een noordwestenwind die over de Pyreneeën komt aanrollen en belachelijke snelheden aanneemt. Tras la montaña betekent ‘over de berg’ in het Spaans. Jaren geleden bepaalde deze ijzige wind zo’n beetje het hele leven in de winter: gemiddeld 115 dagen per jaar regeerde de Tramuntana in deze regio. De afgelopen tien jaar zijn het nog maar zo’n 75 à 80 dagen en dit jaar is het helemaal anders. Dat de Tramuntana pas in januari van zich laat horen is vreemd. Normaal begint de wind al in oktober met wat ze hier ‘de grote opruiming’ noemen. Insectenpopulaties worden weggeblazen en het zeewater wordt zeewaarts gedreven, waardoor de baaien schoonspoelen. De natuur van Cap de Creus is grotendeels gevormd door de Tramuntana. Het eeuwenlange beuken van de wind heeft grillig gevormde rotsen opgeleverd en taaie begroeiing die bestand is tegen zo veel windkracht.

De Tramuntana is zoals de vorst in Nederland. Je wil graag dat ie komt, omdat het de natuur zo fijn reset (en omdat er niks leuker is dan schaatsen op natuurijs), maar na een paar dagen ben je er ook wel weer klaar mee. Mensen die hoorden dat we hier bleven overwinteren waarschuwden ons in september al voor de nogal heftige aanwezigheid van deze gure wind. Nu pas snappen we waarom. Tocat per la Tramuntana is een uitdrukking hier. Het betekent ‘geraakt door de Tramuntana’, ofwel: gek in je hoofd. Ze zeggen dat de mensen in Cadaqués tocat zijn per la Tramuntana, met Salvador Dalí voorop.

Er zit wel een waarheid in. Nu alle toeristen weg zijn, valt het op hoeveel eigenaardige mensen hier rondlopen. Hippies met honden (véél hippies), dronken zeelui en kunstenaars klonteren de hele dag samen rond bar Casino voor bier om negen uur ’s ochtends of vermout rond de lunch. Pek en ik gaan elke middag een tallat (koffie) halen bij Casino. De sfeer is er rauw en puur. Het is moeilijk te omschrijven, het is net alsof we elke dag de set van een arthousefilm op lopen. Het is het centrum van het dorp. Je kunt eigenlijk niet níet naar Casino gaan.

Ons huis ligt 100 meter van Casino af, maar windsgewijs op het meest ongunstige punt van het dorp: aan de achterzijde van el casc antíc, het oude centrum, dat op een heuvel is gebouwd. Die heuvel ligt midden in een kom, omringd door hoge kliffen. De Tramuntana komt over die kliffen aanwaaien, stort zich naar beneden, maakt nog even wat extra snelheid en het eerste wat ze vervolgens tegenkomt, is ons huis. Via de afzuigkap komt ze ongevraagd naar binnen. Het waait gewoon in onze keuken. Aangezien de keuken open is, trekt er de hele dag een koude tocht door het huis. Het verwarmingssysteem kan dit helemaal niet aan. Dus ja, van ons mag die Tramuntana gerust weer gaan liggen.

Als ik weer in slaap val, droom ik dat de ramen van de Dalí-expositie onder ons appartement uit hun sponningen worden geblazen. De werken van Dalí waaien naar buiten en worden meegenomen door de Tramuntana. Ze zweven sierlijk de baai over en maken salto’s en pirouetten. Op het strand staat Salvador Dalí naar boven te kijken en te bulderen van het lachen. Zijn puntige snor trilt ervan.

Een licht schijnt in mijn ogen en ik word opnieuw wakker. Pek staat naast het bed en schijnt met het licht van zijn telefoon onder zijn kussen.
‘Zoek je iets?’ vraag ik
‘Nee, er zitten mieren in ons bed.’
‘Mieren?’
Dan zie ik ze. Niet één mier, niet twee, maar een hele colonne. Misschien komen ze schuilen voor de wind en de kou. Maar moet dat in ons bed? Pek veegt ze van het matras af.
‘Ik ga in de logeerkamer slapen. En jij?’
Ik ben te moe om te bewegen, dus ik blijf liggen. Die mieren komen vast niet naar mijn kant van het bed.

Intussen gromt en steunt het huis. Ik lig in een bed vol mieren en ik weet nog steeds niet waar dat harde gebonk vandaan komt. Ineens begrijp ik de schilderijen van Dalí veel beter. Tocat per la Tramuntana.